dinsdag 11 januari 2011

Het regende, het waaide en het was er zooo koud

Je voelt het al als je een stap buiten zet: dit wordt een ‘zware’ wandeling. En ondanks mijn positieve gedachten, werkt alles tegen. Goedemorgen. Goedemorgen?
Laat ik mijn laarsjes met hakken maar aanhouden, die lopen toch ook best? En nee, niet die winterjack maar mijn stoffen jas. Want dat staat beter. Tja, als ik de poort uitloop en over het glibberige paadje bij de buren stap, weet ik al dat de schoenkeuze fout is. Even verder, op het open veld wordt ook mijn foute jaskeuze bevestigd. Fijn, die snijdende wind, maakt je wakker. Een mooie roze ochtendsluier kleurt de lucht. Het is later dan normaal, zeker een kwartier. Dus al een stuk lichter. ‘Het wordt lente’ probeert mijn geest me nog warm te krijgen. Maar als er druppels op mijn niet gemutste hoofd vallen, is de lente verdwenen. Ontkennen van wat druppeltjes regen lukt meestal wel en met zulke wind waait het vaak over. Nu natuurlijk niet. Het gaat net niet hard genoeg regenen om om te draaien. Ik loop door. Bedenk dat ik afgelopen zomer hier in de stromende plenzende regen in mijn jurkje rende. Wilde schuilen onder een grote boom en vast kwam te zitten aan de bramenstruiken. Haha. Helemaal doorweekt en ready for a wetdresswedstrijd kwam ik thuis. Maar het was niet koud. Nu wel. Mijn passen zijn fel, kort en stevig. Ik loop harder dan normaal alsof het dan minder hard regent. Zelfs de hond loopt door en hoef ik niet te roepen. Mijn voeten zijn voelbaar in de laarsjes en mijn tenen worden koud. Het wordt glad. Spiegel spekglad. Pas op de terugweg moet ik echt opletten niet uit te glijden. En als ik dan de man met de twee hondjes waarvan een met een dichtgenaaid oog tegenkom, weet ik dat deze wandeling een beproeving is. Op zijn woorden: “Je had zeker niet op de regen gerekend hè?” kan ik niet anders dan terugblaffen: “nee en ook niet op de gladheid.” En bedankt. Het prachtige tafereel van de koperen bal die tussen de twee knotwilgen opkomt laat me even vergeten dat het een barre tocht is, mijn tenen bevroren zijn en ik kletsnat geregend ben. Maar niet lang, want dan, bijna thuis, moet ik aan de kant voor het oranje zwaailicht en de strooiwagen. Fijn, heel fijn. Nu ben ik thuis.